Ik zie sneeuwvlokken overal (laat je vingers naar beneden dwarrelen als sneeuw)
Kom, we rollen de sneeuw tot een bal (met je handen om elkaar heen draaien)
Een bal voor zijn buik (een vuist maken) en één voor z’n kop (andere vuist erbovenop)
Daar krijgt de sneeuwman een hoed bovenop (zet een denkbeeldige hoed op je eigen hoofd)
Twee knopen als ogen (ogen aanwijzen), een wortel als neus (maak duim-en-wijsvinger, en wijs met je duim je neus aan)
Als het zo door sneeuwt, dan wordt het een reus! (steek je handen hoog in de lucht)
Maar als het gaat dooien, dan hebben we pech (handen langzaam omlaag)
Dan smelt de sneeuwman (twee vuisten op elkaar zetten) zo maar weer weg (vuisten laten wegglijden tot je handen plat zijn)